Ab Harrewijn Prijs

Voor initiatieven met een hart

“Dubbeltjes worden minder makkelijk kwartjes dan in het verleden”

Inleiding door Jan van Zijl, in de periode 1989-2000 lid van de Tweede Kamer voor de PvdA en collega politicus van Ab Harrewijn. Daarna bestuurder van allerlei organisaties. Tegenwoordig is hij onder andere voorzitter van Vluchtelingenwerk Nederland

Ik wil eerst even kwijt dat ik het – gelet op de spanning – wel een beetje kwaadaardig vind om mij nu het woord te geven na vijf fantastische verhalen voorafgaand aan de uitspraak van de jury. Maar ik ga me er doorheen slaan.

Armoede in Nederland

Het was vorige week in het nieuws: 420.000 kinderen leven in dit land in armoede en ik denk er daar onmiddellijk bij: met hun ouders en vaak oudere mensen. Bij elkaar zijn het misschien wel een kleine miljoen mensen, die naar de Nederlandse maatstaven in armoede moeten leven. Natuurlijk is armoede in Nederland niet hetzelfde als armoede in bijvoorbeeld Mozambique, dat weten we met elkaar ook. In landen als Mozambique wordt armoede meer veroorzaakt door natuurrampen, zoals grote droogte, al zou een betrouwbare regering ook daar veel ellende kunnen voorkomen.

Maar armoede in Nederland is de wereld nog niet uit, ook al denken sommige mensen dat zowel armoede als de vrouwenongelijkheid al opgelost zouden zijn. Voor beide is het helaas niet het geval. Die berichtgeving over armoede in Nederland zou Ab Harrewijn een gruwel zijn geweest en naar mijn smaak terecht. Armoede in Nederland is geen natuurverschijnsel, waar je machteloos tegen bent. Armoede in Nederland is een politieke opdracht om er wat tegen te doen en daar kom ik nog op terug.

Tegenstelling sociale klassen van een eeuw geleden

Ik begin mijn verhaal aan het begin van de vorige eeuw, zo rond 1900. Toen hadden we de industriële klassensamenleving. In die tijd bepaalde de plaats waar je wieg stond ook wat je kansen waren op de maatschappelijke ladder. De toegang tot welvaart, de kans op goed onderwijs, werden allemaal bepaald door waar je werd geboren. In het begin van de vorige eeuw was voor heel veel kinderen de lagere school, de huishoudschool of de ambachtsschool feitelijk het eindonderwijs. Meer zat er gewoon niet in. Dat was, zo werd er gezegd, goed genoeg. Hoe slim je ook was, hoe slim je ouders ook waren.

Het omgekeerde gebeurde natuurlijk ook. Ik heb er zelf nog eens een staaltje van meegekregen: de eeuwige student waarvan feitelijk de hele werkzame loopbaan bestond uit studeren of wat ervoor doorging. Dat veranderde eigenlijk radicaal na de oorlog van 1940-1945. Niet omdat we in dit land ineens zo ontzettend sociaal werden, maar vanwege de economische noodzaak. Er kwam steeds meer behoefte aan goed opgeleide mensen, mensen met goed onderwijs en daar ging men ook aan werken in die na-oorlogse samenleving. Ik zeg het expres in die volgorde, want misschien zou je denken dat in een keer nieuw inzicht was ontstaan. Dat was niet zo. Er was gewoon meer behoefte aan mensen die doorgeleerd hadden.

Ikzelf ben daar een product van en met mij hele generaties. Mijn achtergrond is niet van rijke ouders. Integendeel, verre van. Mijn ouders hebben ook niet kunnen doorleren. Maar ergens in de jaren vijftig, zestig van de vorige eeuw kreeg ons soort mensen de kans om langer naar school te gaan. En wat ontstond er in de jaren zestig? Betere onderwijskansen voor iedereen, sociale woningbouw, sociale zekerheid, progressieve belasting. In feite ontstond wat tegenwoordig met een duur woord heet: de meritocratische samenleving. Vergeet het ingewikkelde woord. Maar het is eigenlijk een samenleving gebaseerd op je diploma, wat je geleerd hebt. Dat bepaalt in zekere zin je kansen op welvaart en geluk.

Het werd een breed gedragen opvatting, dat iemands maatschappelijke positie niet bepaald werd door waar hij of zij vandaan kwam, de afkomst, maar door het diploma, het onderwijs dat hij of zij genoten had. En van links tot rechts was in de politiek de gedachte, het uitgangspunt, dat als je diploma bepaalt waar je terecht komt, de sociale ongelijkheid als vanzelf vermindert. Of anders gezegd: als iedereen maar de geboden kansen zou pakken, die hij of zij voorgeschoteld krijgt, dan komt er vanzelf meer cohesie, meer samenhang in de samenleving. En de eerlijkheid gebiedt te zeggen: tot op zekere hoogte – maar dan zit er ook meteen venijn in het woordje ‘op zekere hoogte’ – gebeurde dit ook.

Onderwijs als poort naar welvaart en geluk

In de jaren zestig van de vorige eeuw stroomden mensen massaal uit de lagere sociale klassen in het onderwijs dat paste bij hun mogelijkheden. Hogere Burger School (HBS), gymnasium, Middelbaar en Hoger Algemeen Onderwijs (Mavo en Havo) werden voor iedereen in beginsel – let op dat woord – bereikbaar. Die onderwijs inspanning legde ons economisch in dit land en in heel West-Europa geen windeieren. De welvaart groeide en de sociale ongelijkheid verminderde wel degelijk. Nederland werd en bleef een tamelijk – ook een chique woord – egalitair land met niet al te grote verschillen van inkomen en vermogen. Ik heb meegemaakt, dat de belangstelling in de politiek voor armoedebestrijding of inkomensbeleid afnam. Dat was niet meer nodig. Ook bij linkse partijen, linkse politiek kreeg het bieden van gelijke kansen eigenlijk de voorrang boven correctie op ongelijke inkomensverdeling. Er was een brede erkenning dat onderwijs eigenlijk de poort was naar welvaart en geluk.

Relaties op basis van opleiding

Tegelijk gebeurde er nog iets anders. In de vooroorlogse klassensamenleving vonden mensen hun partner uit hun eigen milieu. Dus je partnerkeuze liep langs milieu scheidslijnen, sociale klasse scheidslijnen. Niet op basis van je intelligentie of je diploma, of je levensbeschouwelijke zuil, maar met name op je sociale klasse. Jongens of meisjes uit je eigen milieu. Met het ontsluiten van al dat verborgen talent, die honderd duizenden kinderen uit armere milieus, die mochten gaan studeren, veranderde ook dit patroon. Jonge mensen vinden nu hun partner vergelijkbaar aan hun opleidingsniveau.

Kijk om je heen. Mijn kinderen, die van mijn partner Ella, hun neefjes, hun nichtjes, allemaal inmiddels hoog opgeleid en allemaal een partner met hetzelfde opleidingsniveau. Je kunt er gif op innemen, dat de meeste van hun kinderen later ook hoger opgeleid zullen raken. En dat terwijl in hun geval en in dat van mijn partner hun vier grootouders eigenlijk allemaal laag opgeleid waren. Natuurlijk zijn er uitzonderingen. Eigenlijk is zelfs voor een hele groep mensen van allochtone herkomst dit proces van die opwaartse mobiliteit economisch en sociaal gezien nog halverwege, of moet hier en daar zelfs nog beginnen. Maar de trend is: naar boven toe. Ik kom er nog op terug.

Talenten worden dus belangrijk

Inmiddels weten we ook – het is een gevoelig onderwerp, we mogen er niet open over praten – dat intelligentie in zekere zin overgeërfd wordt. Inmiddels blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat zeventig procent van wat je aan intelligentie vermogens hebt afkomstig is van de vorige generatie. Slimme pappa, slimme mamma, dan is de kans dat je slimme kinderen krijgt, tamelijk groot. Maar het omgekeerde is ook het geval. De kans dat kinderen met laag opgeleide ouders zelf ook laag opgeleide kinderen krijgen, die kans is ook tamelijk groot. En kijk ook daarvoor maar om je heen. Onze hulpen, rijke mensen als wij hebben vaak een hulp, hun kinderen, hun neefjes en nichtjes zijn vaak lager opgeleid.

Is dan de vraag: zijn ze allemaal te dom geweest om hun kans te pakken? Om de voorgehouden worst van: je mag naar het gymnasium te grijpen? Natuurlijk niet, dat zou een oneerlijke, onrechtvaardige conclusie zijn. Eigenlijk wordt er mee gezegd – en dat is de titel van mijn inleiding – dubbeltjes worden minder makkelijk kwartjes dan in het verleden. Wat voor dubbeltjes en kwartjes geldt, geldt ook voor centen. Ook die centen worden minder makkelijk dubbeltjes. Het zijn die tien procent mensen in onze samenleving, en helaas zijn dat er toch veel meer dan je denkt, waarvoor vanwege hun bagage, hun vermogens, het lastiger wordt om in die samenleving mee te kunnen. Ook die mensen vinden een partner, waarvoor hetzelfde geldt. Het laat zich raden hoe kansrijk die kinderen zullen zijn.

Onderklasse met maatschappelijk weinig gewaardeerde talenten

Ook hier weer: de uitzonderingen zijn er ook, te beginnen met die grote groep allochtone medeburgers, waar die emancipatie nog aan de gang moet gaan. Maar de trend is dezelfde. We kennen allemaal de succesvolle ondernemer die miljonair wordt met alleen maar lagere school, maar dat zijn de uitzonderingen. Het doet aan de algemene analyse niks af. Een groot deel van de lagere sociale klassen uit de vorige eeuw is inmiddels toegetreden tot de hogere en middenklassen anno 2016.

Maar aan de onderkant blijft een homogene groep mensen achter. Die beschikt over weinig maatschappelijk gewaardeerde – let op maatschappelijk gewaardeerd in de zin van: inkomen kunnen verdienen – talenten. Dat kunnen hele sociale mensen zijn, hele wijze mensen zijn, hele fijne mensen zijn, maar ze missen de bagage om een hogere opleiding aan te kunnen, en daarmee ook de kansen om in de samenleving goed mee te kunnen. Daarmee krijgt de maatschappelijke achterstand anders dan in de vorige eeuw, een soort erfelijk karakter.

Daarmee keren we in feite terug naar waar mijn vader begon: de plaats waar je wieg staat bepaalt in hoge mate je kansen en successen in het leven. Dat alles heeft naar mijn stellige overtuiging grote gevolgen voor de verdeling van en toegang tot welvaart. Niet voor niets zijn er thans die 420.000 kinderen, die in armoede opgroeien. Waar komen ze vandaan? In hoge mate uit allochtone afkomst en uit kinderen van laag opgeleide ouders. Allebei: precies de groep waar ik het over had, waarbij voor de allochtonen nog geldt dat er volop wordt gewerkt en met succes aan herstel in de inloop van achterstanden, maar voor die kwetsbare groep laag opgeleide ouders is het een stuk moeilijker.

Bovenklasse met maatschappelijk gewaardeerde talenten

Aan de andere kant is de kant van de hoger opgeleiden. Ik neem hetzelfde voorbeeld, mijn soort: een goed inkomen, mooie positie, afbetaalde hypotheek, kinderen inmiddels een eigen huis, reeds begin van een vermogensvorming hoe jong ze zijn, en als het een beetje meezit als toetje nog een mooie erfenis van pappa en mamma ook. Maar dat laatste heb ik ze al laten weten, zit er dus niet in. Ik geef ik er de voorkeur aan om de hele erfenis liever aan het Ab Harrewijnfonds te schenken, of iets wat daarop lijkt natuurlijk. [Geklap van het publiek.] Ik blijf nog even leven als je het goedvindt. Maar, en dat is natuurlijk het wrange aan die bovenkant, dat er alleen maar mensen zijn die een goed stel hersens hebben – en dat gun ik ze van harte – die met hun ouders ook de kans kregen om door te leren.

Samenleving met verschillende lagen

Er dreigt dus een soort gelaagde samenleving terug te komen: aan de onderkant de nikshebbers en daarboven de steeds minder makkelijk iets kunnen krijgers, de middenklasse, en aan de bovenkant: twee inkomens per huishouden waar alle poorten naar welvaart, inkomen en vermogensvorming samen komen. Die trend, die dreiging, zou linkse mensen een gruwel moeten zijn. Maar dat niet alleen. Zo’n chique woord als gesegregeerde samenleving is niet alleen maar onaanvaardbaar voor mensen, die een sociaal kloppend hart hebben, maar is behalve onrechtvaardig ook economisch slecht.

Dat wist Ab Harrewijn ook als geen ander. Een beetje inkomensverschillen is misschien nog wel goed, kun je economisch zeggen. Maar grote sociale en maatschappelijke ongelijkheid is ook voor onze economie slecht. Zie het werk van de socioloog Piketty, die niet voor niks hier naar toe is gehaald door GroenLinks, een van de funders van de Ab Harrewijn Prijs. Als sociale cohesie bindmiddel is en tevens fundament voor een duurzame economische groei, dan is de huidige trend van ongelijkheid en segregatie tegelijk een politieke opdracht.

Politieke opdracht waartoe?

We hebben dus een politieke opdracht tot sociale cohesie. Wat zijn daarin de belangrijkste speerpunten? Allereerst zou ik zeggen: het is een politiek verhaal, en geen partijpolitiek verhaal. Kritisch kijken naar de mate waarin de overheid zich terugtrekt uit allerlei publieke domeinen en alle kerndoelen van de verzorgingsstaat overdraagt aan de markt. Natuurlijk hoeft niet alles bij het oude te blijven. Natuurlijk is mobiele telefoon iets anders dan thuiszorg, maar je moet goed kijken: wat kun je overlaten aan de markt en wat niet? Naar mijn smaak is dat overbrengen naar de markt hier en daar doorgeschoten.

Natuurlijk moet de verzorgingsstaat gemoderniseerd worden, maar niet ten koste van de mensen met de minste kansen of mogelijkheden om hun kansen te pakken. Dat betekent bij voorbeeld: blijvende en duurzame toegang tot goed onderwijs voor iedereen. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar ik kom als bestuurder uit het Middelbaar Beroeps Onderwijs (MBO), waar tot voor kort en eigenlijk nog steeds ouders met lage inkomens de dure kosten voor het MBO-onderwijs moeten betalen. Zij zijn veel slechter af dan ouders van kinderen op het gymnasium. Dat kan toch niet de bedoeling zijn, om maar eens een voorbeeld te noemen.

Hetzelfde geldt overigens als speerpunt inzake toegang tot hoogwaardige zorgvoorzieningen voor iedereen. Natuurlijk is wat meer eigen verantwoordelijkheid niet altijd onredelijk financieel, maar wél als grote groepen daardoor de toegang tot essentiële voorzieningen wordt onthouden.

Denk ook aan beleidsplannen met betrekking tot de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Ik vind het plan op zichzelf niet verkeerd om mensen, die in de WSW werken, meer toe te leiden om te werken in gewone bedrijven. Daar is veel voor te zeggen, het is een goede zaak. Maar ook hier is het beleid naar mijn smaak doorgeschoten. Het is niet alleen maar vanwege ideële motieven, maar simpelweg vanwege bezuinigingen. Dat afbreken van voorzieningen kunnen we ons niet veroorloven.

Hetzelfde geldt voor de zorg in de wijk en de thuiszorg. Ook hier geldt: ik begrijp dat het organiseren van de zorg bij de mensen thuis grote voordelen heeft. Maar als het te snel gaat of te ruig, dan gaat het ten koste van de meest kwetsbaren met de minste perspectieven.

Denk nog even aan die 420.000 arme kinderen. Ik kan het niet laten ze te noemen en wat hebben zij nu voor toekomst?

Politieke opdracht voor het onderwijs

Wat betekenen zoveel arme kinderen voor het onderwijs? Natuurlijk blijvend kansen bieden. Die mogelijkheid heeft ons en onze kinderen veel gebracht. En kansen bieden voor iedereen blijft voor mij speerpunt van beleid, onderwijsbeleid. Vooral bij allochtone mensen en hun kinderen is nog een hele slag te maken en veel winst te boeken. Maar: kansen bieden alleen in het onderwijs is niet meer voldoende, want sommigen kunnen die kansen niet pakken. Bovendien is er in het huidige onderwijs een raar soort paradox gaande. Hoe slimmer je bent, hoe meer onderwijs je krijgt aangeboden. Gymnasium duurt zes jaar, Havo vijf jaar, en Vmbo (Voortgezet Middelbaar Beroeps Onderwijs) vier jaar. Dat is toch een beetje gek. En de beteren mogen nog heel lang naar de universiteit.

Daar komt nog wat bij. Kinderen van hoog opgeleide ouders krijgen niet alleen het goede stel hersens mee van hun ouders, maar nog veel meer. Denk aan algemene vaardigheden. Denk aan brede belangstelling, het goede gesprek, beschaafd Nederlands, culturele interesse, deelname aan sport en culturele verenigingen, etc.. Daar bovenop krijgen ze nog zes jaar toponderwijs, waaraan ze met een voorsprong beginnen vanwege die dingen die ze thuis al meekrijgen. Onderwijs kan kinderen niet slimmer maken. Wat er in de bagage zit, daar moet het onderwijs het mee doen. Maar onderwijs kan wel een grote rol spelen en zou het ook moeten spelen in het bijbrengen van wat soms thuis gewoon niet gegeven wordt. Het is geen verwijt aan die ouders die dat thuis niet geven. Daar ontbreekt ook vaak de mogelijkheid om het te geven en al dat zo is dan heeft het onderwijs hierbij een belangrijke rol.

Betere investering in kwalitatief Vmbo

Die inzet kost tijd, in dit geval onderwijstijd. Dus: in plaats van wat nu gaande is, draaien we de zaak om: vier jaar gymnasium, vijf jaar Havo, en zes jaar Vmbo en dan ook goed Vmbo. Zover zal het wel niet komen, denk ik, maar ik voer een krachtig pleidooi voor meer aandacht en meer onderwijstijd voor het Vmbo. Dat kost geld: een half miljard per jaar als je het Vmbo vijf jaar maakt. Dan moet je niet alleen meer aandacht hebben voor kennisoverdracht, maar met name voor die vaardigheden, die ook zo belangrijk zijn voor jonge mensen om in de samenleving goed overeind te kunnen blijven. Ze krijgen het soms van thuis niet mee.

Dat onderwijs zou al op hele jonge leeftijd moeten beginnen. We zijn zo ongeveer het enige land in Europa, waar kinderen pas ongeveer op hun vierde min of meer bij elkaar in groepen dingen bijgebracht krijgen die zo belangrijk zijn. Ik ben er niet voor om de kinderen van twee jaar Chinees en Engels te leren. Maak je geen zorgen. Ik ben ervoor dat kinderen van twee en drie de kans krijgen om iets van die sociale bagage die anderen thuis meekrijgen met elkaar in groepsverband meekrijgen. Overal in Europa gebeurt dat behalve in Nederland. Ook op de basisschool veel meer aandacht voor die sociale en burgerschapsvaardigheden. Niet omdat dat met kennis gepaard gaat, maar wel omdat dat gepaard gaat met de kansen om in die samenleving overeind te kunnen blijven.

Investeren in brede middenschool

De belangrijkste aanpassing moet dus volgens mij gebeuren in het voortgezet onderwijs. Ook hier zijn we weer een raar soort buitenbeentje in Europa. We duwen kinderen van twaalf jaar na een Citotoets in een onderwijsgroep, en dat wordt steeds meer categoraal ofwel van één bepaalde groep: categoraal gymnasium, categoraal Vwo, inmiddels categorale Havo’s categorale Mavo’s. Op twaalfjarige leeftijd doen we dat. Op die leeftijd weten we precies wat die kinderen later aankunnen of niet. Ridicuul. Dat doen ze nergens in Europa, alleen maar hier.

Je ziet ook steeds minder – ooit was dat een goed idee: brede brugklassen, kinderen een paar jaar bij elkaar houden. Die middenschool heeft talloze voordelen. Daar mag je in dit land niet over praten. In Finland hebben ze een middenschool. In Scandinavië hebben ze een middenschool. Het kost handenvol geld, maar het werkt als een trein. Bij ons begint in zekere zin al op twaalfjarige leeftijd al de segregatie. Ik zeg wel eens cynisch – ik hoop dat u mij niet verkeerd verstaat – “de weg naar het geluk: kinderen in de Havo, de weg naar de hel: kinderen in het Vmbo”.

We hebben volgens mij nodig dat we kinderen langer samenhouden, kinderen meer tijd gunnen om te ontdekken wat ze kunnen en wat ze willen. Geen Citostress meer, want als je meer brede brugklassen hebt of de middenschool, heb je de Citotoets niet meer nodig om te beoordelen op die leeftijd wat ze kunnen of niet. Ook minder verkeerde keuzes die dan al gemaakt worden, en later nauwelijks meer te corrigeren zijn. Als je op twaalfjarige leeftijd in het Vmbo komt, dan blijkt dat het merendeel nooit meer hoger terecht komt. Eenmaal in de verkeerde groef, blijf je in de verkeerde groef en ‘verkeerd’ moet je als tussen aanhalingstekens lezen. Want het gaat om: maatschappelijk verkeerd.

Het volgende feite speelt, en dat is een beetje het thema van vandaag en is het allerbelangrijkste: kinderen van hoger opgeleide en lager opgeleide ouders krijgen zo meer mogelijkheden om van elkaar te leren, Immers wat blijkt uit de praktijk? Ik verzin dat niet: kinderen, die met een lage bagage binnenkomen, trekken zich op aan de kinderen met meer bagage en het omgekeerde gebeurt dus niet. Ter rechterzijde zegt men dan: het leidt allemaal tot minder kansen voor die slimme kinderen. Het omgekeerde gebeurt nu gewoon: de slimmeriken worden alleen maar slimmer in de echte wereld, de echte samenleving en de zwakkeren trekken zich daar aan op. Landen met een middenschoolconcept hebben – dat is evident bewezen in talloze rapporten – minder segregatie, minder gebrek aan sociale cohesie. Dat allemaal is ingewikkeld om te organiseren, maar het kan, zo blijkt in Scandinavië. Het kost ook geld, maar in Scandinavië hebben ze dat ervoor over. Dat moet dus hier ook kunnen volgens mij.

Andere zorgwekkende gevolgen van segregatie

Er zijn nog een paar andere zorgwekkende illustraties van die toenemende segregatie te noemen. De belangrijkste daarvan, waar je je zorgen over moet maken, is het toenemende wantrouwen van mensen met vaak wat lagere opleidingen in de politiek, in de overheid, in instituties. Waar dat toe leidt zien we eigenlijk in de hele Westerse wereld. Populistische politici volgen die wind: Donald Trump in de Verenigde Staten, Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland maar waar niet: ook in Nederland.

Het is verleidelijk om je af te zetten tegen de mensen die op verkeerde partijen kiezen, althans wat ik dan verkeerde partijen noem. Dat vind ik in mijn ogen en ook in de ogen van die mensen een elitaire opvatting. Wat je moet doen is doorgronden waarom de mensen de opvatting hebben die ze hebben. Dat is moeilijk genoeg. Waar komt dat wantrouwen vandaan? Om vervolgens iets van die boosheid en die zorgen die mensen hebben weg te nemen. Het lijkt me ook een opdracht voor progressieve politiek.

Ab Harrewijn en zijn politieke inzet

Tenslotte nog een keer kort terug naar Ab Harrewijn. Ik hoop en ik denk zomaar, dat hij het met mijn voorstellen en analyse eens is. Ik hoop het. Hij kan het niet meer zeggen. Toch was Ab Harrewijn niet zo van de grote concepten. Hij zocht het veel dichter bij huis. Hij zou zich vandaag de dag ook echt druk gemaakt hebben over die toenemende armoede, met name van kinderen, en die groeiende inkomens- en vermogensverschillen. Hij zou terecht concrete politieke maatregelen verlangen. En ik zou het daar dan op mijn beurt in overwegende mate, nooit helemaal natuurlijk, mee eens geweest zijn. Maar beide moeten. Acute sociale onrechtvaardigheid bestrijden moet vandaag gebeuren, en je moet ook iets doen aan de structuren, die mede verantwoordelijk zijn voor die groeiende tweedeling.

Aan die acute bestrijding van het onrecht doen vandaag de dag alle genomineerden van de Ab Harrewijn Prijs 2016 mee. Ik heb met grote bewondering geluisterd naar de verhalen. Het is een beetje een cliché: er is vandaag maar een winnaar van de Prijs, maar er zijn heel veel winnaars, en deze keer kan ik gelukkig zeggen: niet alleen de vijf genomineerden zijn winnaar, maar al die mensen die met al die achtendertig voorgedragen initiatieven bereikt worden. Ik als ik denk aan alle initiatieven in Nederland dan zijn het er wel een paar duizend. Dat zijn natuurlijk de echte winnaars. Ik dank u voor uw aandacht en ik dank u zeer, ook voorzitter Ineke van Gent, voor de eervolle uitnodiging om vandaag te mogen spreken.

Met dank aan …

Nieuwsbrief

Vul hieronder uw mailadres in om u te abonneren op de digitale nieuwsbrief (3x per jaar). Indien u mailings op papier wilt ontvangen, kan dit via het contactformulier.